De spiegel die jij me voorhield

Vanwege de coronacrisis zorgde ik onverwachts tien dagen voor mijn eenjarige neefje. Ik schreef hem een brief voor later.

Lieve Jens,

Zodra jij in je bedje lag en ik de gordijnen had gesloten, sloot jij meestal direct je ogen. En misschien was het verbeelding, maar je leek dan telkens een beetje te glimlachen. Je was tevreden met je speen, knuffeldoekje en pluizige vriend Meneer Haas. Het maakte me blij, maar evengoed jaloers en daarmee verdrietig. Je stelde weinig voorwaarden aan geluk. Voor grote zorgen was het sowieso te vroeg.

Misschien is dat nu wel anders, nu je vijftien bent, twintig misschien – al hoop ik natuurlijk dat je iets van je blijmoedigheid hebt vastgehouden.

Ik vertel je graag over april 2020, toen ik onverwachts negen nachten bij je in Drenthe logeerde. Eigenlijk was ik helemaal niet van plan om mijn woonplaats Utrecht te verlaten; vanwege de coronacrisis raadde het kabinet reizen ten strengste af. Maar om diezelfde crisis moest ik wel.

Je moeder was hoogzwanger van je broertje en jij nog maar één jaar oud, dus was er een oppas nodig voor de tijd dat zij samen met je vader in het ziekenhuis zou zijn om te bevallen. Aanvankelijk zouden mijn ouders tijdelijk voor je zorgen; die woonden veel dichterbij. Maar dat idee deed mij piekeren en bezorgde mij buikpijn. Mijn ouders vielen in de risicocategorie (65-plus en eerdere hartproblemen), dus wat als jij ze onbedoeld zou besmetten? Door mijn hoofd schoten beelden van mijn ouders op de intensive care en dat ik ze dan waarschijnlijk niet eens zou mogen opzoeken vanwege besmettingsgevaar. Ik dacht ook steeds aan jou: dat jij je op een zeker moment zou realiseren dat je opa en oma waarschijnlijk door contact met jou waren overleden.

Zowel jouw ouders als de mijne maakten zich in eerste instantie niet zo druk. Het zou allemaal wel loslopen, dachten ze; het risico op besmetting is klein. Jouw ouders waren eerder bang dat jij verdrietig zou worden van een onbekende oppas. Ik had immers nooit eerder voor je gezorgd en zag je slechts een paar keer per jaar.

Ik begreep de gevoelens goed. Het risico wás ook klein, én ongrijpbaar – Covid-19 werd een ‘onzichtbare vijand’ genoemd. Maar ik wilde niet dat het onvoorstelbare zou gebeuren; er gebeurden al zoveel onvoorstelbare dingen. In een telefonisch videogesprek, met jouw en mijn ouders, deelde ik daarom mijn zorgen. Ik bood ook meteen aan om als alternatieve oppas te fungeren (ondanks twijfels over mijn oppascompetenties) en nog diezelfde avond vroegen je ouders of ik me beschikbaar wilde houden.

Al na vier dagen ging ik naar je toe. Je moeder had veel pijn; het zou snel kunnen gaan. In de trein was het rustig (door de coronacrisis was het aantal reizigers met zo’n 85 procent afgenomen). En terwijl ik gewoonlijk juist het liefst reisde in stilte, beviel deze stilte mij helemaal niet. Dit was een onrustige stilte, die van gevaar. Liep iemand voorbij, dan keek ik de andere kant op om eventuele virusdeeltjes te ontlopen. Dat sommige reizigers te dichtbij kwamen, maakte me bang en chagrijnig. Maar er iets van zeggen durfde ik niet, juist nu had ik in conflict geen trek – ik had stress zat.

Tijdens het schrijven van deze brief had ik graag geweten of jij óók hebt ervaren hoe het is om te leven in een samenleving waar het slot op zit, waar je noodgedwongen afstand moet bewaren tot de mensen die je juist graag dicht bij je hebt en waar de angst voor een pijnlijke en eenzame dood, van jezelf en je dierbaren, constant een beetje aanwezig is. Ik wens dat het je vreemd is.

Ik hoop dat jij jezelf in dat geval voedt met boeken, films, podcasts of virtual reality, zodat je toch een beetje voelt wat wij voelden toen jij één was. Volgens mij is dat belangrijk. Hoe jij bent en hoe de wereld nu is, is mede bepaald door de coronacrisis en de nasleep daarvan. De crisis die wij meemaakten, zullen jouw ouders, ikzelf en miljarden anderen met ons meedragen. Corona trof ons – of we nu ziek werden of niet.

Op het moment van schrijven zitten we er nog middenin, maar later, als deze crisis voorbij is, zullen we anders zijn. Zullen we sommige dingen laten, andere dingen juist dóén. Zullen we banger zijn, misschien soms juist meer vertrouwen hebben. Ik moest hier veel aan denken toen ik die lange week met je samen was, toen je helemaal opging in spelen met je waterrad en de poes en jij als beste vriendjes om elkaar heen krioelden in de tuin.

Toen de mensheid eindelijk doorhad hoe groot de bedreiging was, had het virus ons al lang in zijn klauwen. Sommigen dachten dat we superieur waren – we waren juist een makkelijke prooi. Volwassenen denken hun kwetsbaarheid te hebben afgeschud, maar met zindelijkheid, zelfstandig kunnen lopen, een rijke woordenschat en een map vol diploma’s bereik je dat heus niet. Of je nu een baby, peuter of volwassene bent, de fragiliteit blijft – door het hopeloos tekortschieten van ons voorstellingsvermogen.  

Bij de pakweg dertig grote pestepidemieën die de geschiedenis heeft gekend, schrijft filosoof Albert Camus in De Pest (1947), vielen tegen de honderd miljoen doden. Toch liet de Algerijnse stad Oran – het decor van de fictieklassieker – zich in de jaren veertig van de twintigste eeuw overvallen door de pest. Camus schrijft dat een mens zich honderd miljoen doden moeilijk kan voorstellen: “Als je een oorlog hebt meegemaakt weet je toch ook nog nauwelijks wat een dode is? En aangezien een dode alleen indruk maakt als je hem dood hebt gezien, kun je van honderd miljoen her en der over de geschiedenis verspreide lijken maar een vaag beeld vormen.”  

Alsof Camus over 2020 schreef.

En toch denk ik dat we van deze pandemie kunnen leren. Ik hoop dat jij en je generatiegenoten beter dan wij dat waren, doordrongen zullen zijn van de kwetsbaarheid van het bestaan. Dat jullie geen Russische roulette spelen en de aarde en alles wat leeft met meer respect behandelen. Dat jullie beter voorbereid zijn en je niet laten overrompelen door een nieuwe pandemie.

Je vader had me opgehaald bij het station van Assen. Ik had me voorgenomen om achter in te stappen, maar dat vond je vader maar overdreven en ongezellig. Dus nam ik plaats op de bijrijdersstoel en zat ik op een halve meter van mijn broer. Zo gaat het tijdens deze crisis eigenlijk de hele tijd, continu is het een laveren tussen mijn eigen, door angst en ratio gedreven, hygiënevoornemens en die van de ander. Constant die afweging: ga ik voor minimaal gezondheidsrisico en neem ik een scheef gezicht van de lossere ander op de koop toe, of calculeer ik risico in, kom ik ook sociaal dichterbij en haal ik meer uit het moment?

Onderweg naar jou benoemden je vader en ik de uniciteit van de situatie. Je vader vertelde dat hij een paar keer ’s nachts wakker was geworden en toen meteen dacht: anderhalve meter afstand! Maar uiteindelijk hebben wij het relatief makkelijk. Ons leven gaat, vooralsnog, voor een groot deel ‘gewoon’ door, terwijl miljoenen mensen wereldwijd vechten voor hun leven of dat van anderen.

In The New Yorker vertelde een zoon hoe hij van afstand afscheid moest nemen van zijn 61-jarige vader, die in een Amerikaans ziekenhuis overleed aan de gevolgen van Covid-19. Tijdens zijn ziekbed mocht de man geen dierbaren ontvangen en voor bellen voelde hij zich te beroerd. De zoon schreef: “I am hoping that, in Heaven, Dad has read my last text: You were always there for me.”

Als ik zo’n stukje lees, dwalen mijn gedachten al gauw af naar de Tweede Wereldoorlog. Voor mijn werk sprak ik de afgelopen jaren met getuigen uit die tijd. Door hun levendige verhalen was het soms alsof ik er zelf een klein beetje bij was. De Tweede Wereldoorlog is met niets te vergelijken en toch dringt de vergelijking met de coronacrisis zich op. Er zijn parallellen, met als grootste gemene deler: het gevoel hebben dat je plotsklaps in een film met een koolzwart scenario terecht bent gekomen – en dat het een tijd duurt voor je echt doorvoelt dat het geen film is. Vertellen mijn vrienden en ik later óók als getuigen over de coronacrisis? Zeggen ook wij dan: dit nooit meer? Of heb je als jij dit leest, Jens, misschien al meerdere andere epidemieën meegemaakt? Leef je überhaupt nog?

Mijn zorgen vergeet ik meteen als ik je voor het eerst weer zie. Je zit op je kleurige stoffen mini-Nijntje-stoel, vol focus te kijken naar een vrolijk kinderprogramma op tv. Als ik je vraag om een kusje, kom je al gauw naar me toe. Je drentelt wat en mijn broer zegt dat je mij een kusje op mijn mond wilt geven. En inderdaad; nat en zonder spanning, maar met afstand het liefste kusje van de week.

De volgende ochtend word ik wakker van vrolijk gebrabbel – ik glimlach.

Jens, als man zonder eigen kinderen heb ik tijdens mijn logeerpartij in Drenthe veel van je geleerd: luiers wisselen, hoe je het gebit van een eenjarige poetst, hoe je een peuter verleidt om zijn bordje leeg te eten en dat het niet te doen is om een ingewikkelde mail te schrijven met een verveeld kind naast je. Maar bovenal liet jij mij zien hoe belangrijk het is om óók in het moment te leven, om de krant vol onheilspellend nieuws wat vaker weg te leggen en op te gaan in je eigen fantasiewereld en in de verbinding met de ander.

Wanneer ik je ’s ochtends uit bed haalde, je op de commode legde en je slaapzakje langzaam openritste, vroeg ik waar je voetjes waren. Dan moest je meteen giechelen, keek je mij ondeugend aan en toverde jij je zachte minivoetjes, hup, tevoorschijn. Ik weet niet wie van ons tweeën dit spelletje nu leuker vond.
 
Samen keken we minutenlang achtereen naar de vogeltjes in de bomen, naar de vrolijke bloemen in de tuinen, naar de pony’s in de wei. “Staart!”, riep je dan – zo simpel kan het leven dus zijn. Mocht ik zelf ooit kinderen krijgen, dan hoop ik hem te blijven zien, zéker in een crisissituatie: de spiegel die een kind je voorhouden kan.

Op vrijdag 17 april kreeg je een prachtig broertje: Joep. Je vader en moeder videobelden ons vanuit het ziekenhuis en samen zagen we hem voor het eerst. “Baby!”, riep je enthousiast, en je wees naar het schermpje. Het is lente – en het zal altijd weer lente zijn.

Bedankt Jens, dat je mij herinnerde aan het existentiële belang om altijd een beetje kind te blijven en de wereld soms klein te houden, ook al weet je beter.

In de roman Hoe ik talent voor het leven kreeg schrijft Rodaan Al Galidi over een vader die zijn kind in de oorlog in Bagdad in 1991 vertelde dat de bombardementen geen bombardementen waren, maar vrolijk vuurwerk. “In plaats van zijn kindje gerust te stellen, stelde hij eigenlijk mij gerust”, schrijft Al Galidi (die later naar Nederland vluchtte).

En zo stelde jij míj́ een beetje gerust, Jens. Blijven we allemaal een beetje kind, en zijn we af en toe wat meer volwassen, dan komen we deze crisis vast wel te boven. Dat is geen stellige verwachting, die durf ik niet te hebben, het is de hoop die ik uitschreeuw. Gek, Jens, dat jij de afloop al kent. Blijf alsjeblieft een beetje die jongen van één – dat zal ik ook proberen.

Lieve groet,
je oom Maarten

(Deze brief is uiteraard met toestemming van mijn familie gepubliceerd.)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.